
Daklozen, zwervers, junks, je stuit in Hoog Catharijne onvermijdelijk op de bewoners van dit winkelhart van Nederland als je met de trein naar Utrecht komt. ‘s Nachts worden ze zo veel mogelijk uit de overdekte winkelcentrum geweerd. Ze slapen in opvanghuizen, maar vaak ook in portieken of op bankjes in de stad. De hulpverlening is door de overheid geregeld. Er zijn uitkeringen, projecten voor begeleid wonen, medische verzorging. Het aantal zwervers en daarbij ook het aantal zwerfjongeren neemt de laatste jaren in de grote steden toe. Toch is het aantal zwerfjongeren van nu in verhouding tot het aantal inwoners veel kleiner dan in het verleden. In de 15de eeuw bijvoorbeeld zwierven er vele wezen bedelend in de stad rond. Vooral in tijden van oorlog of grote epidemieën is hun aantal soms schrikbarend hoog. Hun lot is zo ellendig, dat de schatrijke Utrechtse geestelijke Evert Zoudenbalch in 1491 in Utrecht een tehuis voor hen sticht: het eerste weeshuis in Nederland. Het zal tot 1963 blijven bestaan.
| Stuuroort |
|
| Zoudenbalch, |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
| De | van het weeshuis |
![]() |
| Everaert Zoudenbalch,..............., doe kondt ende kenlick (= laat weten) allen denghenen die desen brieff sellen sien off horen lesen, dat ick in der eere ende then love Goids almachtich, der heiligher maghet sijnre moeder Marien ende der weerdigher vrouwen sunte Elizabeths van Dueringhen, (= de heilige Elisabeth van Thüringen 1207-1231, een Hongaarse koningsdochter die haar leven wijdde aan de verzorging van behoeftigen) die een ontfermster ende vertroostster is der ellendigher (= hulpbehoevende) weeskynderen, die van allen menschelicken troost verlaten zijn, van mijns selffs goeden (= goederen) die mij Godt almachtich uut sijnre goedertierenheit verleent heeft, ghefundiert, ghesticht ende begaeft hebbe een gasthuys der wesen, mit eene capelle daeraen, ghelegen bynnen der stadt van Utrecht aen sunte Katherijnen velt. 1. In denwelcken ick will ende bevele, dat men ontfangen sall alle ellendighe weeskynderen, knechtkens (=jongens) ende meechdekens (=meisjes) , die van allen menschelicken troost verlaten sijn, oick van waen dat sij comen; ende die aldaer ophouden (=huisvesten) ende vueden ther tijt toe, dat sij tot horen jaren gecomen sullen wesen ende tot sij hem selven mit haren arbeyde oft ambochte sullen moghen behelpen ende bedraghen; ende dat nyet tot eenen sekeren ghetale, mer alsoe vele als men in den voirseyden gasthuys van der goeder luyden aelmissen (aalmoezen) ende van den goeden, die nu denselven gasthuys gegeven sijn off hiernamaels gegeven sullen worden, sall moghen houden ende vueden. 2. Ende opdat dieselve weeskynder the gadelicker aldair sullen moghen ghevuedt ende gehouden worden, soe sullen die knechtkens die groot ghenoech ende des machtich sijn, dagelicx ommegaen om hair broot ende aelmissen the bidden (=bedelen) nyetteghenstaende enighe rijckdom, die dat voirseyde gasthuys namaels sall moghen krijghen. Mer die meechdekens sullen thuys blijven ende nyet ommegaen bidden; dan sij sullen haer hantwerck doen, een yghelick nae dat hemluyden van Godt synne ende verstant gegeven is ende ghelijck die bewaerster des huys voirseyt sij dairtoe houden ende hemluyden bevelen zall. 3. Ende tot wat tijden die voirseyde knechtkens tot verstant comen, soe sal men se ther schole setten om the leeren, oft in geestlicken cloesteren brenghen off aen ambochten setten. Desghelijcx oick die meechdekens laten goede luyde dyenen off in cloesteren helpen off hantwerck laten doen dat hemluyden betaemt, elken naedien hij nutste ende bequaemste off best besneden toe is. ....... Des t'oirkonde ende opdat alle voirseyde punten the vaster ghehouden moghen worden in toecomenden tijden, soe heb ick deser brieven, drie alleens luydende, dairaff den eenen bij der kercken van den Doem, den anderen bij der stadt van Utrecht ende die derde bij mijnen erffgenamen, die mitten Doemdeken (= de deken - een hoge geestelijke - van de Domkerk) ende scepenburghermeyster voirseyt ( de burgemeester, zoals al is gesteld) dat regiment ende beveell mede hebben sall des gasthuys ende goeden voirseyt, altijt blijven sall, laten maken ende besegelen mit mijnen zegell. Gegeven int jaer ons Heeren duysent vierhondert één ende tnegentich op sinte Poncyaens avondt. (= de avond van 14 januari, de dag die gewijd is aan de heilige Ponciaan en waarop tot 1614 in Utrecht jaarmarkt werd gehouden. Op deze dag gaven vrouwen en meisjes geschenken aan mannen en jongens, terwijl een week later, op St. Agnes, het omgekeerde gebeurde) |
![]() |