Je gebruikt:
- de CD-DOM, Domplein in Utrecht van 250 tot heden
- archiefstukken uit het Utrechts Archief
en je bezoekt de binnenstad van Utrecht.

De CD-DOM
Bakker, G., J.C. de Rode i.s.m. ab_c media, CD-DOM, 2000 jaar Domplein in Utrecht, Uitgeverij Het Spectrum B.V., Utrecht, 2000. De CD-DOM vind je in de boekhandel (f52,20) in museum Catharijneconvent. Je kunt de CD-DOM ook raadplegen in RonDom. Dit is gevestigd vlak bij de Domtoren. Je vindt hier informatie over alle culturele aktiviteiten in Utrecht.

RonDom, Bezoekerscentrum voor Cultuurhistorie
Domplein 9
3512 JC Utrecht
tel. 030-2333036
openingstijden:
ma. t. m. za.: 10 tot 17.00 uur
zo.: 12 tot 17.00 uur

Het Utrechts Archief
A. Numankade199-202
3572 K W Utrecht
tel. 030-2866611
openingstijden:
ma: gesloten
di., woe. en vrij.: 9 tot 17.00 uur
don: 9 tot 21.00 uur
za: 9 tot 12.30 uur

Het Utrechts Archief is de bewaarplaats van de papieren geschiedenis van de stad en de provincie Utrecht en van de landelijke kerkgeschiedenis. Je kunt daar archiefstukken opvragen en ze in de studiezaal bestuderen. De archiefstukken die je nodig hebt voor het uitvoeren van de onderstaande opdracht zijn:
  • De lijst met de uitrusting van Leendert Stuuroort, archief van het Gereformeerd Burgerweeshuis, inv. nr. 783.
  • Nicolaas van der Monde, kopie van een plattegrond van de stad Utrecht in 1572. Litho (dit is een druktechniek), inv. nr. T.A. Ab45 (D).
    De stichtingsbrief van het St. Elisabethsgasthuis uit 1491. Bewaarde archieven II, inv.nr.1000.
De stukken zijn op deze internet-site gezet. Als je de archiefstukken in het archief wilt gaan bekijken, heb je de bovenstaande nauwkeurige omschrijving van de stukken nodig, vooral de inventarisnummers.

Vakgebieden:
ICT
Geschiedenis
Bouwgeschiedenis

Studielast:
De deelopdrachten 1,2,3,4 en de slotopdracht samen: 7.
De deelopdrachten kunnen afzonderlijk worden gemaakt. De studielast is bij elke deelopdracht gegeven.

Leendert
een 'ellendigh weeskynd' uit Utrecht

De dropouts van de stad

Daklozen, zwervers, junks, je stuit in Hoog Catharijne onvermijdelijk op de bewoners van dit winkelhart van Nederland als je met de trein naar Utrecht komt. ‘s Nachts worden ze zo veel mogelijk uit de overdekte winkelcentrum geweerd. Ze slapen in opvanghuizen, maar vaak ook in portieken of op bankjes in de stad. De hulpverlening is door de overheid geregeld. Er zijn uitkeringen, projecten voor begeleid wonen, medische verzorging. Het aantal zwervers en daarbij ook het aantal zwerfjongeren neemt de laatste jaren in de grote steden toe. Toch is het aantal zwerfjongeren van nu in verhouding tot het aantal inwoners veel kleiner dan in het verleden. In de 15de eeuw bijvoorbeeld zwierven er vele wezen bedelend in de stad rond. Vooral in tijden van oorlog of grote epidemieën is hun aantal soms schrikbarend hoog. Hun lot is zo ellendig, dat de schatrijke Utrechtse geestelijke Evert Zoudenbalch in 1491 in Utrecht een tehuis voor hen sticht: het eerste weeshuis in Nederland. Het zal tot 1963 blijven bestaan.

Stuuroort
In dit weeshuis komt in 1735 Leendert Stuuroort terecht. Hij is dan 16 jaar. Zijn vader, Gerrit Willems Stuuroort, is glazenmaker in de Twijnstraat. Als hij in 1732 overlijdt, blijft zijn vrouw, Niesje Wouters van Gog, met twee kinderen achter. Niesje sterft in oktober 1735. Op verzoek van grootmoeder Stuuroort worden Leendert en zijn vier jaar jongere broer Gerrit op 23 december 1735 in het weeshuis opgenomen. Leendert wordt in de leer gedaan bij kuiper Otto de Haart. In augustus 1736 steelt hij geld uit de kast van zijn baas. De regenten (de bestuurders) van het weeshuis besluiten hem ‘in nauwer bewaring te houden mitsgaders gering te tracteren en ondertussen uijt te sien om hem buijten lands te kunnen versenden.’ Ze sturen hem naar de Oost, de toenmalige Nederlandse koloniën. In juli 1737 vertrekt hij op het schip de "Landscroon" als jongmaatje met een loon van 5 gulden per maand. Hij sterft op zee op 7 oktober 1737.


Deelopdracht 1
Studielast: 0,5

Leendert krijgt van het weeshuis een uitrusting mee, een 18de eeuwse ‘oprotpremie’. De rechtsstaande lijst (klik om te vergroten) met de uitrusting van Leendert bevindt zich nog in Het Utrechts Archief en maakt daar deel uit van het archief van het Gereformeerd Burgerweeshuis (inv. nr. 783)



Zoudenbalch,
(1423 of 1424 tot 1503) oprichter van het St. Elisabethsgasthuis, het eerste weeshuis van Nederland

De schatrijke Zoudenbalch was kanunnik van de Domkerk. Een kanunnik is een geestelijke die in de katholieke kerk het dagelijks koorgebed verzorgt, maar wel eigen vermogen mag hebben. (zie voor meer informatie de CD-DOM, knop 1425, de gesproken tekst over kanunniken) Zoudenbalch bestemde dus een deel van zijn kapitaal voor liefdadig werk. Hij deed dit niet geheel belangeloos. Een gelovig man als Zoudenbalch was ervan overtuigd dat hij door het verrichten van goede werken zijn kans op een plaats in de hemel zou vergroten. In Zoudenbalchs tijd was dit een zeer gebruikelijke gedachtengang. In de 15de eeuw, maar vooral in de 16de eeuw ontstonden op deze wijze in vrijwel alle Nederlandse steden weeshuizen naast de al bestaande armenhuizen, ziekenhuizen en huizen voor behoeftige bejaarden.

Deelopdracht 2
Studielast: 0,5
Op de CD-DOM vind je informatie over de oprichter van het weeshuis, Evert Zoudenbalch (onder de knop 1425).

Het St. Elisabethsgasthuis, het eerste van Nederland

Zoudenbalch vestigt zijn weeshuis op ‘Sunte Katarijnevelt’, het huidige Vredenburg. Hij bouwt er ook een kapel, waar de wezen bijeen komen voor de mis en waar hij zelf in 1503 wordt begraven. In 1577, tijdens de 80-jarige oorlog tegen Spanje (1568-1648, zie de CD-DOM in de betreffende periode) wordt het weeshuis zwaar beschadigd. De oorlog eist veel slachtoffers onder de burgerbevolking. Het bouwvallige pand kan de toevloed aan weeskinderen niet meer bergen. In 1582 verhuist men naar het Regulierenklooster aan de Oudegracht 245. Je vindt daar nu Concertzaal Tivoli. In de loop van de tijd wordt het aantal weeskinderen minder groot; de gemiddelde leeftijd wordt hoger, grote epidemieën horen in Nederland tot het verleden en het oorlogsgeweld in de steden neemt af. Als in het enorme gebouw in 1926 nog maar 14 kinderen wonen, betrekt men een veel kleiner pand op de Nieuwegracht 98. Hier blijft het weeshuis gevestigd tot de sluiting in 1963. Tegenwoordig is de kans dat een kind op jonge leeftijd beide ouders verliest erg klein. De weinige wezen in ons land die niet bij familie of vrienden ondergebracht kunnen worden, wonen in kindertehuizen die vooral bestemd zijn voor kinderen die om de één of andere reden niet bij hun ouders kunnen wonen. Deze tehuizen worden door de overheid betaald.

Deelopdracht 3
Studielast: 2
Het gebouw van het oorspronkelijke weeshuis is verdwenen. Je ziet het nog staan op een litho (dit is een bepaalde druktechniek) die Nicolaas van der Monde in de 19de eeuw maakte naar een plattegrond van Utrecht uit 1527.

Klik om te vergroten
Klik om te vergroten

De van het weeshuis
Evert Zoudenbalch stelt in 1491 een uitgebreide akte (geschrift dat als bewijsstuk dient) op waarin de oprichting van het weeshuis nauwkeurig wordt geregeld. Hieronder zie je een foto van deze brief. (Bewaarde archieven II, inv. nr. 1000)


Het is niet gemakkelijk een 15de eeuws handschrift te lezen. Daarom is van deze brief een transcriptie gemaakt (de tekst in hedendaags schrift) Ook het lezen van de transcriptie is echter nog moeilijk: de taal blijft die van de 15de eeuw. De tekst luidt als volgt:

Everaert Zoudenbalch,..............., doe kondt ende kenlick (= laat weten) allen denghenen die desen brieff sellen sien off horen lesen, dat ick in der eere ende then love Goids almachtich, der heiligher maghet sijnre moeder Marien ende der weerdigher vrouwen sunte Elizabeths van Dueringhen, (= de heilige Elisabeth van Thüringen 1207-1231, een Hongaarse koningsdochter die haar leven wijdde aan de verzorging van behoeftigen) die een ontfermster ende vertroostster is der ellendigher (= hulpbehoevende) weeskynderen, die van allen menschelicken troost verlaten zijn, van mijns selffs goeden (= goederen) die mij Godt almachtich uut sijnre goedertierenheit verleent heeft, ghefundiert, ghesticht ende begaeft hebbe een gasthuys der wesen, mit eene capelle daeraen, ghelegen bynnen der stadt van Utrecht aen sunte Katherijnen velt.

1. In denwelcken ick will ende bevele, dat men ontfangen sall alle ellendighe weeskynderen, knechtkens (=jongens) ende meechdekens (=meisjes) , die van allen menschelicken troost verlaten sijn, oick van waen dat sij comen; ende die aldaer ophouden (=huisvesten) ende vueden ther tijt toe, dat sij tot horen jaren gecomen sullen wesen ende tot sij hem selven mit haren arbeyde oft ambochte sullen moghen behelpen ende bedraghen; ende dat nyet tot eenen sekeren ghetale, mer alsoe vele als men in den voirseyden gasthuys van der goeder luyden aelmissen (aalmoezen) ende van den goeden, die nu denselven gasthuys gegeven sijn off hiernamaels gegeven sullen worden, sall moghen houden ende vueden.

2. Ende opdat dieselve weeskynder the gadelicker aldair sullen moghen ghevuedt ende gehouden worden, soe sullen die knechtkens die groot ghenoech ende des machtich sijn, dagelicx ommegaen om hair broot ende aelmissen the bidden (=bedelen) nyetteghenstaende enighe rijckdom, die dat voirseyde gasthuys namaels sall moghen krijghen. Mer die meechdekens sullen thuys blijven ende nyet ommegaen bidden; dan sij sullen haer hantwerck doen, een yghelick nae dat hemluyden van Godt synne ende verstant gegeven is ende ghelijck die bewaerster des huys voirseyt sij dairtoe houden ende hemluyden bevelen zall.

3. Ende tot wat tijden die voirseyde knechtkens tot verstant comen, soe sal men se ther schole setten om the leeren, oft in geestlicken cloesteren brenghen off aen ambochten setten. Desghelijcx oick die meechdekens laten goede luyde dyenen off in cloesteren helpen off hantwerck laten doen dat hemluyden betaemt, elken naedien hij nutste ende bequaemste off best besneden toe is.
.......
Des t'oirkonde ende opdat alle voirseyde punten the vaster ghehouden moghen worden in toecomenden tijden, soe heb ick deser brieven, drie alleens luydende, dairaff den eenen bij der kercken van den Doem, den anderen bij der stadt van Utrecht ende die derde bij mijnen erffgenamen, die mitten Doemdeken (= de deken - een hoge geestelijke - van de Domkerk) ende scepenburghermeyster voirseyt ( de burgemeester, zoals al is gesteld) dat regiment ende beveell mede hebben sall des gasthuys ende goeden voirseyt, altijt blijven sall, laten maken ende besegelen mit mijnen zegell.
Gegeven int jaer ons Heeren duysent vierhondert één ende tnegentich op sinte Poncyaens avondt. (= de avond van 14 januari, de dag die gewijd is aan de heilige Ponciaan en waarop tot 1614 in Utrecht jaarmarkt werd gehouden. Op deze dag gaven vrouwen en meisjes geschenken aan mannen en jongens, terwijl een week later, op St. Agnes, het omgekeerde gebeurde)

Deelopdracht 4
Studielast 2
Beantwoord de volgende vragen:


Slotopdracht
Studielast 2

Wezen hebben schrijvers, schilders en zangers van het levenslied geïnspireerd tot hartbrekende werken. Van het sprookje van Assepoester, het meisje met de zwavelstokjes, Langs Vaders Graf tot de musical Annie. Je kent vast ook voorbeelden.



Educatief programma - cd-dom